Voorbeelden

Hieronder vind je fragmenten uit verschillende boeken die ik heb geschreven. Ze laten zien hoe persoonlijke verhalen tot leven komen op papier.

Geen enkel verhaal is hetzelfde. Soms gaat het om een heel leven, soms om een specifieke periode of gebeurtenis.

Zo kan jouw verhaal er dus ook uitzien.


Fragment uit Achter het masker (2022)

Ze stond pal naast de ingang van de school. Alsof ze op me stond te wachten, met haar lange blonde haren en mooie ogen. Ze was echt het mooiste meisje van de school.

‘Hey Emmely, hoe is het?’

‘Hey Davy, mocht je weer niet je elektrische vandaag?’ Ze wist altijd direct haar vinger op de zere plek te leggen. Ik haalde mijn schouders op en keek over mijn schouder of Pascalle er nog stond, zodat ik mijn vraag kon stellen. Met een grijns van oor tot oor deed ze een stap naar voren. Behalve Pascal en Wouter had zich nog een groepje leerlingen verzameld.

‘Pascalle komt me helpen jou iets belangrijks te vragen,’ legde ik Emmely uit.

Ze keek me niet begrijpend aan. Ik gebaarde naar de klassenassistente dat we het maar gewoon moesten doen. Voorzichtig pakte ze me van achteren onder mijn oksels beet en tilde me op uit de rolstoel. Emmely staarde ons verbaasd aan, terwijl Pascalle voorover leunde om mij op één knie voor haar te zetten. Ik moest zo hard lachen dat ik nauwelijks kon praten.

‘Em… haha, Emmi… hahaha, wil… hahaha.’ Ik kwam er niet uit.

‘Toe nou, Dave! Anders kukel je zo naar voren,’ lachte ook Pascalle.

Ik kneep mijn ogen een paar keer stevig dicht, haalde diep adem en zei toen: ‘Wil je met me trouwen, Emmely?’

Het hele schoolplein was doodstil. Zo leek het tenminste. Ik hield mijn adem in, terwijl Emmely zenuwachtig aan de zoom van haar shirtje trok.

‘Nou?’ vroeg ik. Geduld was niet mijn sterkste kant, zei mama altijd.

Zonder me aan te kijken mompelde ze: ‘Oké.’

Even keek ik achterom voor bevestiging bij Pascalle. Oké was hetzelfde als ja, toch? Ook bij trouwen?

‘Nu zijn jullie verloofd,’ jubelde ze ter bevestiging. Ze zette me met een zwaai terug in mijn stoel en begon te klappen. Steeds meer kinderen op het schoolplein klapten mee en ik maakte theatraal een buiging in mijn stoel.

Een eeuwigheid lang zeiden Emmely en ik niets tegen elkaar. Het voelde nog wat onwennig, deze nieuwe status. Toen de rust op het schoolplein was wedergekeerd, pakte ik haar arm en zei: ‘Gezellig, toch?’



Fragment uit Een betere man (2024)

‘Martijhijn.’ Aan Simone’s toon hoor ik dat ze al langer staat te roepen. Ik kijk over mijn schouder, terwijl ik op handen en voeten op de grond zit. Een beentje is half over mijn rug geslagen en de rest van het meisje bungelt halverwege mijn buik.

‘Ben zo terug Romy’, fluister ik tegen mijn zesjarige stiefdochter en til haar met een soepele armzwaai weer op twee benen. Simone staat met de vaste telefoon in haar hand. 

‘Het is je vader.’ Ze fluistert, ook al heeft ze de microfoon afgeschermd met haar hand. Ik haal diep adem. Die belt nooit voor de gezelligheid. Hij belt eigenlijk nooit, punt. Mama is altijd degene die belt, dus als hij belt, zal er uitslag van het ziekenhuis zijn. Ik geef Simone een snelle kus en neem de telefoon van haar over.

‘Hey hallo’, zeg ik zo opgewekt mogelijk. Alsof ik daarmee nog positieve invloed uit kan oefenen op wat hij me gaat vertellen.

‘Zo dat duurde zeg’, groet de oude egoïst terug. 

Ik negeer hem. Het feit dat andere mensen ook levens hebben, is nooit tot hem doorgedrongen.

‘Is er nieuws?’

‘Geen tumor, geen kanker, geen kwaadaardige cellen. Alle scans zijn schoon.’

‘Dat is goed nieuws toch?’ Mijn stem schiet met een octaaf omhoog en de tranen springen in mijn ogen. “Geen kanker” zeg ik geluidloos tegen Simone die mee staat te luisteren. Ook Romy heeft haar moeders hand vastgepakt en staat me vol verwachting aan te kijken. Die voelt feilloos aan dat dit een belangrijk telefoongesprek is. 

‘Zeker, zeker’, beaamt mijn vader. ‘Maar we zijn natuurlijk ook weer terug bij af. We weten nog steeds niet wat er aan de hand is.’ Hij schraapt zijn keel. ‘Bel jij Peter en Johan even?’

‘Hoe is het met mama? Kun je haar even geven?’

‘Ze slaapt. Ze had knallende koppijn.’

‘Oké.’

‘Bel jij je broers?’ vraagt hij opnieuw.

Ja ja, prima. Bedankt voor je…’ Telefoontje wilde ik zeggen, maar mijn vader heeft al opgehangen. Stel je voor dat je nog even een gesprek voert, dat je misschien moet luisteren naar een ander of dat er ruimte ontstaat voor emoties. Dat wil Frits de Boer natuurlijk niet. Toch heb ik in de afgelopen maanden ook waardering voor hem gekregen. Het is me wel duidelijk geworden waarom hij een succesvol zakenman is. De Boer Sport was vroeger een begrip in de omgeving en ver daarbuiten, tot aan Oostenrijk toe. Hij heeft eigenhandig heel Scheffau am Wilden Kaiser voorzien van toeristen. Hij is het type dat dingen voor elkaar krijgt. Als hij iets bedenkt, dan lukt het hem ook. Nu mijn moeder ziek is, bewijst hij dat opnieuw. Normaal gesproken is hij niet zo’n gezellige echtgenoot. Hij is het oerconservatieve type. Mijn moeder is altijd meer een veredeld hulpje dan een gelijkwaardige partner voor hem geweest, zowel in het huishouden als in het bedrijf. Maar hij doet nu echt zijn best voor haar. Nu ze ziek is, lijkt hij iets te bewijzen te hebben. Alsof er een wedstrijd is uitgeschreven en hij besloten heeft om die te winnen. Hij regelt afspraken voor haar in het ziekenhuis en second opinions bij specialisten. Wachtlijsten lijken niet te bestaan voor Ria de Boer. Het doet er alleen zo weinig toe, zolang ze niet weten wat ze heeft.

‘Weet je wat…’ Ik til Romy op en zeg tegen mijn meisjes: ‘Ik vind dat we wat te vieren hebben. Wat denken jullie van McDonalds?’


Fragment uit ‘Laat schijn niet langer heilig zijn (2025)


Niemand zag Marijke. Niet omdat ze onzichtbaar was, maar op de een of andere manier zagen
mensen altijd wat ze zelf wilden zien. Ze was nog piepjong toen haar opa vertelde hoe eenzaam
hij zich voelde zonder oma. Marijke was de op een na jongste in een gezin van 13 kinderen, met
alleen nog een jonger broertje. Zeven jongens en vier meisjes. Haar oudste zus Jannie was twintig
jaar ouder en woonde allang niet meer thuis, net als de rest van haar zussen. Marijke groeide
min of meer op in een mannenhuishouden. Ze was geboren in Spijk in 1979, waarna ze
verhuisden naar Hendrik-Ido-Ambacht en daarna naar Sliedrecht. Waarom ze zo vaak verhuisden,
wist ze niet. Haar vader leek op de een of andere manier rusteloos. Hij had een klein teerbedrijf
en werkte als dakdekker. Niets indrukwekkends, maar goed genoeg om in een sober
levensonderhoud van het gezin te voorzien. Haar moeder was moeder en huisvrouw, een rol die
ze met glans vervulde. Geen vuiltje aan de lucht, haar stoepje altijd schoon.

Het voelde gezellig in huize Zuidema. Op zaterdagen deed moeder ‘s ochtends de kinderen in
bad, terwijl vader vers brood sneed en Marijkes oudere broer op het orgel speelde. Marijke was
een verlegen kind, introvert. Als ze met iemand een band voelde, dan was het met haar vader.
Niet omdat hij nou zo’n toegankelijke, makkelijke man was. Hij was een man van uitersten. Hij
was een joviaal, gastvrij type. Hij hield ervan om in de keuken te staan en iedereen mocht altijd
mee-eten. Hij was een rots in de branding, maar hij kon ook plotseling ontploffen. Toen de haan
bijvoorbeeld voor de zoveelste keer haar kleine broertje aanviel, stormde hij naar buiten en
draaide het beest de nek om. Zonder er verder een woord aan vuil te maken plukte hij het beest
en maakte het klaar voor het avondeten. Het hanenvlees was oud en taai, niet te eten. Na zo’n
uitbarsting gingen er soms dagen voorbij zonder dat hij een woord sprak. Alsof hij die tijd nodig
had om het nieuwste conflict diep in zichzelf te begraven. Daarna ging de knop weer om en was
het alsof er nooit iets was gebeurd. Dan stond hij weer fluitend in de keuken, maakte eten en
grapjes en was hij de hartelijkste man die je ooit had ontmoet. Hij was een man met
verschillende gezichten. Hij had flink wat foute vrienden en hij lag doorlopend overhoop met zijn
broers. “Zwarte Wim”, noemde ze hem ook wel. Misschien omdat hij in de teer werkte,
misschien om andere redenen.

De vader van haar moeder was de enige grootouder die nog in leven was en hij was de tachtig al
gepasseerd toen hij Marijke begon op te zoeken in haar eigen huis. Min of meer iedere vrijdag
zocht hij haar op, waar ze ook was, zeven jaar lang. Altijd vond hij wel een klein moment buiten
het zicht van haar moeder. Marijke was zijn lievelingskleindochter, en hij spaarde vijf
gulden-munten voor haar. De geur van koffie en sigaren zou ze altijd onverdraaglijk blijven
vinden.

Praten over dingen was niet iets wat werd aangemoedigd in de familie Zuidema, binnen de hele
gemeenschap niet. Kletsen daarentegen. Zolang het maar aan de oppervlakte bleef kabbelen. En
als je echt op veilig wilde spelen, had je het überhaupt niet over jezelf, maar over anderen. Haar
moeder had haar woordje altijd klaar. Ze wist alles beter, vooral als het om Marijke ging.
Misschien vond Marijke daarom de omgang met haar vader makkelijker. Hij liet haar zijn wie ze
was. Haar moeder had de neiging ieder verhaal te herschrijven naar een versie die haar beter
uitkwam. Haar wereld leek soms volledig maakbaar. Ze bedekte alles wat op pijn, conflict of
problemen leek met een dikke deken van positiviteit. Door te lachen, een grapje te maken of
simpelweg te bagatelliseren: “Dat zal wel meevallen, toch?”

Zo ook toen Marijke haar voor het eerst durfde te vertellen over opa. Ze was misschien een jaar
of 10, maar ze had nooit geleerd om voor zichzelf op te komen. Het was nooit eerder in haar
opgekomen dat ze er iets over kon zeggen, totdat een vriendinnetje van haar dat deed.
Natuurlijk wist ze ergens wel dat het niet klopte wat hij deed. Ze vond het verschrikkelijk en ze
wilde het niet, maar ze had ook geleerd om te doen wat er van je verwacht wordt. Überhaupt,
maar vooral als vrouw. Ook al vond je het niet leuk. Naar de kerk gaan, dienstbaar zijn aan de
man, lange rokken dragen, je haar in twee lange vlechten, niet rennen op zondag.
Zelf nadenken over wat je wel of niet wilde, hoorde daar niet bij. Je werd geacht je problemen op
te sluiten in je eigen, afgezonderde wereld en anderen daar niet mee te bezwaren. Dus dat had
ze ook gedaan met wat opa bij haar deed. Ze dacht er zo min mogelijk over na. Alleen het
misselijkmakende gevoel in haar buik was altijd aanwezig. En de paniek toen ze na een
logeerpartijtje bij een nichtje hoorde dat opa haar weer thuis zou brengen. Pas toen haar
vriendinnetje overstuur was, omdat hij hetzelfde bij haar had geprobeerd, zei ze iets erover
tegen haar moeder.

Misschien was ze vergeten erbij te vertellen dat hij haar al vijf jaar lang in de hoek duwde met
zijn grote zwaargebouwde lichaam. Dat hij haar dan kuste, overal betastte en overal met zijn
handen inging, als niemand keek. Misschien had ze het zelf wel klein gemaakt. Als je ergens over
probeerde te praten dan zeiden mensen: “Ah joh, komt wel goed” of “Ah joh, niet zo gek doen.”
Haar moeder reageerde kalm. Ze leek niet per se verbaasd of geschokt, toen ze zei:
“Ik praat wel met hem. Blijf maar een beetje bij hem uit de buurt.”
Ze vroeg niet hoe het met Marijke was, of hoe het met het vriendinnetje was, ze praatte ook niet
met de moeder van het vriendinnetje. Moeder zou met opa praten, zij zouden bij opa uit de
buurt blijven en dat was dat. Makkelijk was dat niet. Ze probeerde al jaren bij opa uit de buurt te
blijven, maar hij kwam iedere vrijdag op bezoek en greep iedere kans die hij kreeg. Als haar
moeder even weg was, naar de keuken of het toilet, of als hij ongezien haar kamer kon
binnenglippen. En hij bleef bij hen thuis komen, daar veranderde het gesprek met haar moeder
niets aan. Wekenlang was ze bang voor opa’s reactie na het gesprek dat haar moeder met hem
zou hebben. Zou hij boos zijn? Zou hij het op haar afreageren? Opa was een vooraanstaande
man. Hij was een ouderling in de kerk. Een man van stand, mensen keken tegen hem op. Zelfs als
klein kind begreep ze dat. Hij was niet het type man dat je zomaar kon vertellen wat hij wel en
niet kon doen. Maar een reactie bleef uit. Alles bleef precies zoals het was, inclusief het misbruik.

Waarschijnlijk was opa de eerste die ontdekte dat ze borsten kreeg. Hij, of haar oudere broer
Teus, die ook de gewoonte ontwikkelde om op haar te gaan liggen en met zijn geslachtsdeel
langs haar naakte lichaam te wrijven. Ook haar broer Kees maakte af en toe een uitstapje naar
haar kamer. Misschien gebeurt er iets geks als je zo veelvuldig en laconiek misbruikt wordt. Haar
diep doorvoelde weerzin verdween nooit, maar ze raakte er wel soort van aan gewend. Ze liet
het gebeuren, misschien wel mede doordat haar moeder dat ook deed. Die kwam een keer de
kamer binnenlopen toen Teus bovenop haar lag. Ze stuurde hem weg, maar daar bleef het bij.
“Hij is een opgroeiende jongen. Hij zit nog in de ontdekkingsfase,” zou ze er later vergoelijkend
over zeggen. Net zoals ze over opa zou zeggen: “Dat was toch niet meer dan kusjes geven?”
Waarschijnlijk geloofde ze dat ook. Ze wilde niet dat het bestond, dus ze legde haar magische
positieve deken eroverheen en weg was het. En als dat niet werkte, had ze altijd Jezus en God
nog als pleister op de wond. Jezus leed ook en wilden we niet allemaal dicht bij Jezus zijn? Ze zei
vaak tegen Marijke: “Deze wereld is niet gemaakt om écht van te genieten. Diepe vreugde komt
pas in het hiernamaals.” Als je hier op aarde niet altijd gelukkig was, was dat een teken dat je
dicht bij God was.

Pas toen er een kamer in huis vrijkwam met een slot op de deur, vond Marijke een manier om
zichzelf te beschermen. Ze was net thuis uit school toen ze buiten het geluid van opa’s auto
hoorde. Hij reed een klein lichtbruin Opeltje, en ze herkende dat geluid, zijn rijstijl met het gas
geven en het zenuwachtige schakelen inmiddels uit duizenden. Ze rende naar haar kamer en
deed de deur op slot. Muisstil zat ze op haar bed, terwijl ze hem hoorde roepen: “Hallo, is er
iemand thuis?” Zijn voetstappen stopten bij haar deur en de klink ging naar beneden.
“Marijke ben je thuis?”
Ze durfde geen adem te halen. De klink ging nog een keer naar beneden en nog een keer. En
toen nog een paar keer snel achter elkaar.
“Marijke, doe de deur eens open!”
Na wat een eeuwigheid leek, ging hij eindelijk weg. Het geluid van het Opeltje was al
minutenlang uitgestorven, toen Marijke op durfde te staan van haar bed. Eindelijk was het haar


gelukt. Vanaf dat moment lukte het hem nooit meer om alleen met haar te zijn.
“Blijf maar een beetje bij opa uit de buurt.” De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de
mannen om haar heen lag bij haar. Zíj moest de deur op slot doen, zíj moest bij opa uit de buurt
blijven en zíj mocht geen korte rokjes dragen. En als het mis ging, was het haar schuld. Al sinds
Eva’s zonde in het paradijs was alles de schuld van de vrouw. Al bij het schrijven van de bijbel
veegden mannen hun straatje schoon. En het werkte goed. Marijke vóelde zich ook schuldig.
Schuldig en vies en vol schaamte, maar alleen als ze er bij stilstond. Dus dat deed ze niet. Net als
haar moeder deed ze alsof het er niet was.

Ze wist ook helemaal niet dat mensen naar de politie gingen met dit soort dingen. Terwijl haar dit
allemaal overkwam, stonden de kranten vol met de Eper incestzaak, de Bolderkaraffaire en de
zaak Finkensieper. Grote misbruikzaken die breed uitgemeten werden in de media en waar
mensen schande over spraken. Het werd steeds minder taboe om te praten over seksueel
misbruik eind jaren 80, begin jaren 90. Misbruikslachtoffer Yolanda uit Epe vertelde zelfs aan
talkshowtafels over wat haar familie haar had aangedaan. Maar in de Gereformeerde
gemeenschap keek niemand televisie en dit waren geen onderwerpen waarover je in het
Reformatorisch Dagblad zou lezen. Televisie was de duivel. Kennis was de duivel. De enige
wapens die Marijke als vrouw had, waren een slot op haar deur en haar vermogen om te doen
alsof er niets gebeurd was. Er was bovendien nooit sprake geweest van penetratie. Niets aan de
hand dus.

Niemand zag Marijke, ook zijzelf niet.


Fragment uit: Niet van iedereen (2018)


Alsof het iedere andere maandag is, parkeer ik mijn auto en loop naar binnen. Zonder oogcontact
te maken, met mijn hoofd ter hoogte van mijn knieën, loop ik langs de receptioniste. Zolang ik
niemand confronteer met mijn aanwezigheid, hoeft niemand iets te zeggen.
“Gaat het wel goed met je, Nik?” Mislukt. Ik glimlach naar de bezorgde blik van de moederlijke
dame achter de desk. Haar telefoon begint te rinkelen, maar ze blijft me aankijken in afwachting
van een antwoord. Ik had kunnen weten dat juist zij meteen zou zien dat er wat aan de hand is.
Ok, dus normaal doen is onopvallender dan onopvallend doen.
“Kan beter”, zeg ik met gespeelde vrolijkheid en geef haar een knipoog. Klaarblijkelijk
gerustgesteld neemt ze de telefoon op en ik kan doorlopen. Saved by the bell. Ik heb helemaal
geen zin om meteen de eerste collega al te moeten vertellen wat er is gebeurd. Misschien moet
ik teruglopen en meteen bij de receptioniste de presentatieruimte boeken. Dan kan ik al mijn
collega’s in een keer het hele verhaal vertellen, ze de ruimte geven tot vragen stellen en
meningen ventileren en het daarbij laten. Niemand zou dan gekke dingen hoeven te denken of
zich irriteren aan mijn afwezige indruk. Aangekomen bij de deur naar mijn saleskantoor, haal ik
diep adem. Misschien weet niemand het… Dumpert is sowieso meer voor laagopgeleide, simpele
mensen, toch? Het is alsof de deur met een touwtje aan de hoofden van mijn collega’s vast zit.
Drie paar ogen staren in mijn richting en de moed zinkt me direct in de schoenen. Alsof ik de
hoofdrol speel in een Amerikaans high school drama en de hele school erachter is gekomen dat
ik seks heb gehad met de geschiedenisleraar. Ik weet niet wat ik moet zeggen en de stilte lijkt
oorverdovend.

‘Wat een ongelofelijke fuckzooi Nik, wat goed dat je er bent!’ Leon is duidelijk de spreekbuis van
het team, want iedereen knikt meewarig zijn hoofd. Ze hebben dit natuurlijk al uitgebreid
besproken, voordat ik zojuist binnenkwam. Godverdomme wat een kutzooi. Dikke kans dat ze vijf
minuten geleden nog vol ongeloof en misschien zelfs dikke pret het filmpje samen hebben
afgespeeld. Paar comments gelezen. Kijk, haar navelpiercing. Ja, daar krijgt ze veel commentaar
op. Ik houd er ook echt niet van. Oh hey hoi Nikki, hoe is het met je? Ik gooi mijn tas onder mijn
bureau en plof in een stoel. Er is geen ontsnappen aan. Dit gaat ook een heldag worden.
Inmiddels heeft iedereen zijn werk tijdelijk neergelegd om het grote seksschandaal uit eerste
hand te horen. Ik leg zo kort mogelijk uit wat er gebeurd is en wordt ruim getrakteerd op ‘Nee!’,
‘Wat erg!’, ‘Niet normaal!’
‘Dus moraal van dit verhaal…’, ik probeer te lachen, maar betwijfel of mijn gezicht daar aan
meewerkt, ‘mocht je nog ergens spannende foto’s hebben opgeslagen, een gewaarschuwd mens
telt voor twee.’ Iedereen lacht, hoewel de een wat onbezorgder dan de ander. Leon grijpt
meteen naar zijn telefoon. Die moet natuurlijk meteen zijn Tinder dickpics verwijderen. Starend
naar de takenlijst op mijn beeldscherm probeer ik nog wat werk gedaan te krijgen.


‘Een licht-ontvlambare middag in juli’ (2017)


Zonnemaire, wie kent het niet? Ik rijd al twee uur op de motor in zuidelijke richting voor een
willekeurig, spontaan bezoek aan het Zeeuwse dorp, dat maar liefst 749 inwoners, een te gekke
kroeg en een snackbar telt. Het is zondag, dus ik heb geen haast en besloten dat ik de snelweg
vermijd. Ik maak overtochtjes met pontjes, rijd door schattige plaatsjes, met exotische namen en
zwaai vrolijk naar mijn passerende collega-motorrijder. Het is een gezellige middag, wat ergens
gek is met een brullende motor en een helm op je hoofd.

Volledig in gedachten verzonken over hoe onhandig tolwegen zijn voor motorrijders, na betaald
gebruik van de Kiltunnel bij Dordrecht, voel ik plotseling een koude windvlaag langs mijn
linkerbeen waaien. Dat is gek. Zou de rits van mijn motorbroek kapot zijn? Ik stuur de motor
rechtsaf in de richting van het plaatsje Cillaarshoek, als ik terloops naar beneden kijk. De
temperatuur in mijn helm schiet omhoog. ‘Shit, shit, godver!’ Mijn been voelt niet koud door de
wind, maar door de liters benzine die uit een gescheurde brandstofslang mijn laars inklotsen.
Onmiddellijk zet ik mijn Yamaha aan de kant van de weg en spring er vanaf. De laatste benzine
druppelt nog in een lullig plasje naast de motor, terwijl ik schaamteloos mijn broek en laarzen
uittrek langs de kant van de weg. Ik zie Bruce Willis al achteloos een brandende sigaret mijn kant
op gooien, dus tast met liefde de Cillaarshoekse goede zeden aan om een eventuele explosie te
voorkomen. Ik giet water over mijn blote onderbeen en voet, waarna ik een brandstofvrije broek
uit mijn tas vis.

Starend naar het kleine losse slangetje bel ik de ANWB. Drie keer moet ik Cillaarshoek spellen en
beamen dat ik het ook niet kende, totdat ik drie minuten geleden als een brandende fakkel in spé
een noodstop maakte op de plaatselijke parkeerplaats, voordat ik te horen krijg dat er binnen
een uur iemand zal komen om me te helpen.
OK dan. Een uur. Ik neem nog een slokje water, leg mijn motorbroek en laarzen in de zon en
speel een beetje met het brandstofslangetje. Het lijkt wel alsof hij doorgesneden is, zo recht is hij
afgescheurd. Aan de overkant van de weg zie ik de koplampen van een auto branden. Als ik toch
een uur moet wachten, kan ik net zo goed iemand anders de ANWB besparen. Ik bel aan, wijs
naar de autolampen en beantwoord de wedervraag waarom ik op deze willekeurige zondag op
blote voeten door Cillaarshoek banjer.

De brandende koplampen-man blijkt best handig te zijn en na een beetje priegelen heeft hij het
brandstofslangetje weer op de juiste plek zitten. ‘Kun je die ANWB afbellen’, zegt hij droog,
terwijl hij zijn handen weer in zijn zakken steekt. Verbaasd kijk ik naar het slangetje. Hij is 2 cm
korter dan voorheen, maar lijkt weer stevig vast te zitten. Dit had ik zelf ook gekund! ‘Zat er geen
klemmetje omheen?’ vraag ik met een beetje pseudokennis. ‘Hoe lang moe je nog? Anders doe ik
er nog effe een taireppie omheen. Start hem maar eens.’ Zonder vertrouwen op een startende
motor, nadat ik de laatste druppels brandstof op de straatstenen had zien verdampen, start ik
zonder problemen de motor. Ik snap er duidelijk niets van.

Ik hijs me weer in mijn geurende motorbroek, bedank mijn nonchalante held en rijd met genoeg
brandstof en zonder verdere problemen naar het dichtstbijzijnde benzinestation. Het laatste uur
van mijn reis naar Zonnemaire verloopt afgezien van wat fantoomkou bij mijn been en flinke,
onverwachte rukwinden op de Grevelingendam voorspoedig en tegen zessen arriveer ik op mijn
logeeradres.

Onder het genot van een niet aflatende benzinestank bestudeer ik in de achtertuin mijn met
tie-wraps in elkaar gezette leeftijdsgenoot. Liefdevol klop ik op de weer goedgevulde
benzinetank en denk: ‘Vingerverven. Dat is ook een leuke hobby.’